Geschiedenis

Duitse dog 1879

Reeds 4000 jaar geleden hadden de Assyriërs grote, kort behaarde vechthonden, die men als voorouders van de Duitse dog, de  Engelse buldog, de mastiff en de Bordeauxdog mag aanzien. Dat deze honden van de langharige Tibetaanse dog afstammen, die grote gelijkenissen vertoont, kan enkel vermoed worden. De Kelten hebben deze doggen-oerouders naar Engeland en Ierlandgebracht.

Duidelijk laat zich de geschiedenis van de Duitse dog vanaf de 16de eeuw tekenen. Toen werden in Engeland sterke, hoogbenige doggen ingevoerd, die uit kruisingen tussen de mastiff en de Ierse wolfshond ontstonden. In het begin van de 17de eeuw werd de fokkerij in Duitsland zelfstandig.

Als beren-, everzwijn- en herthond werd hij aan de hof van de vorsten van Duitsland gehouden. Zij waren in staat deze dieren zelfstandig te doden. Voor hun eigen bescherming droegen de doggen ‘beschermkledij’ die uit dikke doeken was gemaakt. Om de oren te beschermen werden deze meestal kort gecoupeerd.

Toen de jachtgewoontes veranderden en drijfjachten stopten, werd de dog een liefhebbersdier.

De benaming “Duitse dog” werd voor het eerst in 1878 in Berlijn voorgesteld en in 1888 werd de Deutscher Doggen Club (DDC) gesticht. Op 1 oktober 1893 is de Nederlandse Duitse Doggen Club (NDDC) opgericht, welke daarmee de oudste speciaalclub van Nederland is. Er zijn momenteel 30 Duitse Doggenclubs bekend over de hele wereld.